U bevindt zich hier:  >> Het Heilig Wammes  >> Legende van Het Heilig Wammes 

Legende van Het Heilig Wammes

Het is een oud verhaal, oud als het stadje zelf dat zich droomverloren weerspiegelt in het water van de Maas. Misschien werd het meegevoerd door een schipper over de lange waterweg van ergens in het zuiden. Misschien was het de wind die fluisterde tussen de hoge popelbomen langs de oever.

Maar neen. Het is ontstaan in het stadje zelf, lang geleden, door een verhalenmaker met een gouden hart en een gulle mond. Want zo leven er velen in dat stadje aan de Maas. De oude mensen glimlachen verlegen als zij eraan denken en de landman in de groene dorpen der vallei, grinnikt over die lichtgelovige stadsmensen, als het verteld wordt. Maar begrijpen doet hij niet.

Misschien waren het de eerste stralen der zon op die vroege junimorgen, die hem hadden wakker gemaakt, ofwel het geschreeuw van de veerman die vlak voor de Bleumerpoort zijn aak aanlegde.
Of misschien waren het de harde Maaskeien waarmee de oprit onder de brede boog van de poort gekasseid was en die hem een stijve rug bezorgd hadden.
Misschien ook wel die verdomde jeuk die hem al een ganse dag lang niet meer verlaten had.

Toch had hij goed geslapen op de harde stenen onder de stadspoort, met zijn opgerold wambuis als hoofdkussen. Geeuwend en zich krabbend kroop de bedelaar recht en voelde weer dat lege gevoel van zijn ingewanden, nu die scheepsbeschuit van gisterenavond verteerd was. 'Hier, kerel een knapkoek', had de rondborstige waardin van de Blauwe Handt geroepen, toen zij hem dat ding toewierp. Nog niet de kwaadsten, die lui van Maaseik en hun scheepsbeschuiten waren smakelijker dan die boekweitkoeken die hij in de dorpen had leren kennen.Nu was het tijd om op te stappen, want straks zou Jan Steenmetsers, de Sweyns, aan zijn rondgang door de straten beginnen om alle vreemde bedelaars en baantjesvolk
uit de stad te jagen...

 

Reyner Geurts, door de Magistraat der stad Maaseik aangesteld tot portier der Bleumerpoort, was een man die zich tenvolle bewust was van zijn verantwoordelijkheid tegenover het gemenebest. Ieder ogenblik van zijn niet zo rooskleurig bestaan naast zijn bazige echtgenote, wist hij welke zware verplichtingen op zijn ietwat afhangende schouders rustten. De veiligheid van zijn stadsgenoten hing af van zijn sleutel, waarmee hij iedere avond opnieuw de stadspoort diende te sluiten. Ook de toestand van de door passerende benden soldeniers leeggezogen schatkist zijner stad was, voor een gedeelte althans, afhankelijk van zijn waakzaam oog waarmee hij de voerlui en hun vrachten diende gade te slaan.

Reyner Geurts kende zijn pappenheimers. Gisterenavond nog had Willem van de Sangersmeulen van Steffenwert met een blijkbaar lege kar de stad willen inrijden. Doch de niet te verschalken blikken van de portier hadden al vlug de twee vaatjes dubbel gebeide ontdekt, zodat de kerel niet anders kon dan de vereiste accijns op de vreemde bieren te betalen, ondanks al zijn verhalen over de cijnsvrijheid van de Kruisbroeders, waar hij het goedje diende te leveren. Kortom, Reyner Geurts was een man van gewicht in het stille stadje, die wist dat de demon van het kwaad overal aanwezig was.
Daarom ook besefte hij onmiddellijk toen hij die morgen uit de portierswoning stapte en onder het gewelf van de hoge poort het rare ding zag liggen, dat dit het werktuig van de Kwade was.
Eén enkel ogenblik stond hij radeloos van angst. Wat hij hier zag, was nog nooit door een mensenoog aanschouwd: een vod, een stuk versleten weefsel. Maar duidelijk had hij het gezien.... het ding bewoog....

 

Toen Geertruydt van de Porte haar man zag wegrennen, begreep zij dat hier haar kans lag. Lang reeds droomde zij ervan een stapje hoger te raken op de maatschappelijke ladder. Portierster van de Bospoort worden, dat was haar droom. Want daar lag het ware middelpunt der stad, daar werden de hoogste sommen weggeld geïnd, daar ook gebeurden de belangrijke dingen die zij, Geertruydt kon verder vertellen, terwijl zij door tientallen belangstellenden gehoord werd.....
Nu zou blijken dat haar man, Reyner, niet de sukkelaar was waarvoor iedereen hem hield. Nu zou hij de stad van de Boze redden.....
Geertruydt van de Porte haalde nog eens diep adem en liep toen zo snel haar lichaam haar dragen kon in de richting van de markt, terwijl zij riep:'Het spookt, het spookt.'

Dominus Arnoldus Spineux, scholaster van het Hoog-waardig Collegiaal Kapittel van OLVrouw van Maaseik, spruit van één der belangrijkste geslachten der stad en oud student der Rooms Katholieke universiteit van Loven,glimlachte.

 

Inderdaad, de listen van de vijand uit de Hel zijn menigvoud. Dat herinnerde de Eerwaarde zich nog uit zijn Cursus Theologica. Maar een stuk versleten weefsel dat bewoog zonder beweger?
Motus sine Motore? Neen, Reyner Geurts had waarschijnlijk te laat in de Dobbele Adelaar op de markt de stadspolitiek besproken en te veel dubbele gebrouwde geproefd.
Trouwens, wat Dominus Arnoldus zich nog goed herinnerde uit zijn Leuvense jaren was het onvoldoende dat hij gehaald had op dat éne onderdeel van de theologica practica dat exorcisme heette, of zoals het vulgus zei: duivelbezwering. Met geen mogelijkheid had hij ooit die ellenlange formule uit het hoofd kunnen opzeggen. 'Vade Satanas...', zo begon zij,maar dat was ook alles wat de kanunnik zich herinneren kon.
Trouwens de scholaster had wel iets anders te doen dan demonen uitdrijven. De deken van het Kapittel had hem opgedragen vandaag eindelijk eens de juiste berekening te maken van die veel te hoge aanslag van de stadsaccijns betreffende de 'Rhensche wijnen en de vremde bieren.' Neen hoor, Reyner Geurts was een goed christen en een plichtsgetrouw portier. Maar daarmee was ook alles gezegd.

 

De Erentfeste Heer Scholtis, officier van Zijne Doorluchtige Hoogheid de Prins van Luik in de goede stede van Eyck nipte aan zijn wijn en glimlachte. Wat was het leven goed. Hij zette de zilveren roemer op tafel en bewonderde de fijn geciseleerde versiering. Zilversmid Malders was een bekwaam kunstenaar, dacht hij, terwijl zijn vingers nog even over het koele metaal zweefden. De man had wel een hoge prijs gevraagd voor dit prachtige stuk vakwerk, doch met geen geld was het genot te betalen van een dronk bloedrode Bourgogne uit zulke recipiënt.
Scholtis Mouwens was een levensgenieter, hij dronk de dagen die de Heer hem schonk met volle teugen. Alhoewel....goed leven was duur en die inkomsten van een scholtis in een rustig stadje waren niet zo hoog. En zodoende waren er de schulden, de dukaten die de scholtis tegen een hoge rente geleend had in Den Lombaert.
Vroeger was het anders geweest. Ja, zijn voorgangers die hadden gouden tijden gekend. Toen waren er de veroordelingen van tovernaressen en heksen en de helft van de goederen van zulke veroordeelden kwamen de scholtis toe....
Daarom schrok de heer Scholtis dan ook met blijde verwachting uit zijn gemijmer op, toen de gerechtsbode buiten adem de kamer binnenviel en zei: 'Heer, een geval van hekserij'

 

De zonnestraal die door het gekleurde glas-in-lood de schemerige kamer binnenviel, verlichtte de dikke foliant waarin Eerwaarde Heer Johannes Herrendorfer, kanunnink van het kapittel, juist aan het lezen was. 'Malleus Maleficarum' luidde de titel 'De Heksenhamer'.
Dit was het boek waarin Dominus Herrendorfer haast dagelijks las, omdat hij wist dat de Boze steeds aanwezig was en dus diende bestreden te worden.
Nog herinnerde hij zich die zondag, hij was toen negen en koraaljongen van het kapittel. Nog zag hij hoe de vingers van Bette van Eyck zich als een verschrompelde, demonische klauw over de H.Hostie bogen en krampachtig aan de blauwe kerktegel bleven kleven. Nog hoorde hij de ijselijke kreet die dezelfde oude vrouw door de kerk van Eyck had uitgestoten. Nog rook hij, twee jaar later, de stank van verschroeid vlees toen op de Markt van de stad de vlammen langs haar oud, verdroogd lichaam likten en zij de vuurdood stierf.....
Alleen het vuur was in staat de gruwel van de hekserij te bestrijden, dacht Dominus Herrendorfer. Toen werd hij uit zijn gepeinzen gewekt door het geschreeuw van mensen op de straat. 'Hekserij, hekserij', hoorde hij. Dominus Herrendorfer nam boek en kwispel en ging naar waar zijn plicht hem riep.
Terwijl de jongen zijn zevende brasem uit het water van de Maas trachtte te halen, hoorde hij achter zich bij de Bleumerpoort het lawaai aanzwellen. Haastig sprong hij op, rende erheen en toen zag hij ze.
Zij kwamen van overal. Uit de Bleumerstraat, langs de Blije Hoek en langs het klooster van Sion. Zij stonden er met honderden om het spektakel te aanschouwen. De waard uit de Dobbele Adelaar was er met enkele vroege klanten, de boer uit St. Joris, Jan Ramekers, de zeeldraaier die zijn huisje op de wal verlaten had, Joris van het Marktschip dat aan de Blauwe Handt gemeerd was Scholtis Mouwens met zijn twee gerechtsboden, burgemeester Matthijs van Wenthuysen, de witte pruik scheef op zijn hoofd, Hill, de wijsvrouw, Tonis de batmeester die zijn werk aan de oever verlaten had, ja zelfs enkele schutters van de aloude Sinte Catharijnencompagnie met de snaphaan in aanslag.

 

En daartussen Dominus Herrendorfer in kanunnikaal gewaad met de kwispel sprenkelend en roepend: 'Vade Satanas. Zijt gij van God sprekt, Zijt gij van den duivel, vertrekt.' En ondertussen keek de hele mensenmassa met sprakeloze blikken naar de met Maaskeien geplaveide grond onder het welfsel der poort.
Voorzichtig naderde de jongen en toen zag hij het: een onooglijk, versleten wambuis. Maar hoe wonderlijk: het bewoog.

En in zijn helder jongenshoofd begreep hij het: die bedelaar die daar vanmorgen vroeg te slapen lag. (Die bedelaar die zich voortdurend jeukte van het ongedierte) En midden in die plechtige stilte van huiver voor het huiveringwekkende zei hij met lachende jongensstem 'Kijk, het ding beweegt van de vlooien.'